Van wie zijn die 102.220 namen?

Van wie zijn die 102.220 namen?

Posted by Redactie | 25 mei 2020 | Geen categorie

Uit: De Groene Amsterdammer, nummer 21, 20 mei 2020
Door: Marja Vuijsje

Het ontwerp van Libeskind voor het Holocaust Namenmonument in Amsterdam heeft iets wrangs. Ruim 102.000 omgebrachte mensen worden teruggebracht tot een bouwsteentje in een megalomaan project, en ondanks de grootte van het bouwwerk is het hopeloos ontoereikend. Hoever reikt het herinneren?

Op en rond de plek waar tot de grote razzia van 26 mei 1943 de koosjere bakkerij van mijn grootouders was gevestigd wordt ondanks de coronacrisis doorgewerkt aan de verrijzenis van het Holocaust Namenmonument. Tijdens mijn wandelingen door verlaten Amsterdam kom ik er vrijwel dagelijks langs. Soms blijf ik even staan bij de met hekken afgezette zandvlakte in de Weesperstraat waarin een graafmachine de nieuwe stilte in ons stadsdeel verbreekt.

Bij de aanblik ervan word ik overvallen door dezelfde mengeling van moedeloosheid en schaamte die mij er in de afgelopen jaren van weerhield mee te doen met het geruzie over de wenselijkheid van een heel groot gedenkteken op die locatie met de namen van 102.000 joden en 220 Sinti en Roma die vanuit Nederland werden weggevoerd en vernietigd. Nieuws erover volgde ik nauwelijks. Oproepen van het Auschwitz Comité om bij wijze van sponsoring namen te adopteren liet ik amper tot me doordringen. Hetzelfde gold voor de opiniërende artikelen en ingezonden brieven van buurtbewoners met weerzin tegen de door Daniel Libeskind ontworpen kolos, maar ook voor de platvloerse reacties van het Auschwitz Comité en de architect zelf (wie tegen was hoorde nog net niet thuis bij de holocaustontkenners).

Vanwege mijn boek Ons kamp werd mij regelmatig gevraagd wat ik er eigenlijk van vond, vooral door voorstanders van het monument. In dat boek hadden ze gelezen over mijn grootouders, hun bakkerij in de Weesperstraat 14, en hun deportatie naar Sobibor. De pleitbezorgers leek het daarom vanzelfsprekend in mij een medestander te vinden, maar ik hield me consequent op de vlakte. Ambivalentie was het begrip dat ik het vaakst gebruikte in mijn antwoorden. Ik wilde pas een mening geven als ik er goed en helder over had nagedacht, en dat nadenken stelde ik steeds weer uit (ongeveer zoals ik de beslissing over wel of geen kinderen krijgen uitstelde totdat er niks meer te beslissen viel).

Wanneer het onderwerp ter sprake kwam maakte ik me ervan af met een paar algemeenheden over de tijdgeest die doorsijpelt in de behoefte aan een monstrueus monument ter herdenking van de monstrueuze massamoord die holocaust is gaan heten. Zoals het in 1950 onthulde Monument van Joodse Erkentelijkheid – ‘vereend met u in afweer’ – een bevestiging bood van de destijds gecreëerde mythe over een volk dat zich eensgezind had verzet tegen Duitse overheersing worden de namenwanden van Libeskind een symbool van de periode waarin zelfs de minister-president berouwvol toegaf dat in Nederland overwegend gezagsgetrouw werd meegewerkt aan de jodenvervolging.

Tussen toen en nu is een wereld van verschil in officiële gevoelstemperatuur over de uitroeiing van een aanzienlijk volksdeel. In het wij-gevoel dat Nederlanders in de jaren van naoorlogse wederopbouw kregen aangereikt was nauwelijks plaats voor de landgenoten die vanwege hun afkomst werden vermoord. In het Nederland van vandaag is ‘de holocaust’ verheven tot een belangrijke pijler onder onze nationale identiteit. Waren de Auschwitz-herdenkingen van toen intieme bijeenkomsten van – veelal communistische – overlevenden en hun nazaten, tegenwoordig is het op de laatste zondag van januari International Holocaust Memorial Day en ontrolt zich via een live-verbinding op tv een Memorial-experience voor iedereen. Nederlanders van alle gezindten worden geacht samen met voorganger Rob Trip geroerd doch vastberaden te knikken als het ‘Nooit meer Auschwitz’ klinkt.

Zoals een van mijn joodse dierbaren graag zegt: ‘Tegenwoordig is werkelijk iedereen dol op de vermoorde joden.’ En dan staan we en passant even stil bij al diegenen die zich ‘de holocaust’ hebben toegeëigend om een of ander gelijk binnen te halen, van sympathieke antiracisten in verzet tegen het hedendaagse anti-migrantenpopulisme tot en met de kwaadsappige boerenleider die het anti-stikstofbeleid van de huidige regering op één lijn stelde met Hitlers Entlösung der Judenfrage.

Eén ding heeft het namenmonument gemeen met het inmiddels verguisde Monument van Joodse Erkentelijkheid: het besluit tot oprichting ervan is gevallen zonder serieuze consultatie van nabestaanden. Net als het in 1946 opgerichte ‘Comité tot Stichting van een gedenkteken voor de hulp in Nederland aan Joden verleend gedurende de oorlog’ vertegenwoordigt het Auschwitz Comité voornamelijk zichzelf en een handvol sympathisanten. Het is twijfelachtig of het nieuwe gedenkteken er was gekomen als er wél was geraadpleegd onder een representatief deel van de Nederlanders die straks de namen van hun (over)grootouders, ooms, tantes, neven en nichten kunnen aanwijzen op de wanden van Libeskind.

In mijn eigen familie- en kennissenkring heerste – zoals over bijna alles – verdeeldheid.

Anders dan ik had verwacht waren de tegenstanders veruit in de meerderheid. ‘Van mij had het niet gehoeven’, zei de een. ‘Als dat zou kunnen zou ik ervoor zorgen dat de namen van mijn familieleden worden weggelaten’, zei de ander. ‘Ik ken helemaal geen joden die voor zijn’, zei weer een ander. En: ‘Het is voornamelijk geliefd bij niet-joden met schuldgevoel.’ Dat was treffend geformuleerd, maar ik sprak wel degelijk nabestaanden met de gevoelens die volgens Auschwitz Comité-voorzitter Jacques Grishaver dominant zijn onder de naar schatting zesduizend Nederlandse Roma en Sinti en de ruim veertigduizend landgenoten die tegenwoordig worden meegeteld als het gaat om de Joodse Gemeenschap in Nederland. ‘Meteen toen dat kon, heb ik de namen van mijn familieleden geadopteerd’, zei een goede vriend. ‘Van de bloedverwanten van mijn moederskant is niemand “teruggekomen”. Voor mij maakt het iets goed dat ze straks niet meer naamloos bij die zes miljoen horen.’

Net als bij hem komen ook bij mij tranen opzetten als ik tijdens herdenkingen de rabbijn van dienst de slotzin van het gebed voor de in concentratiekampen omgekomen joden hoor uitspreken: ‘Vergeten zijn zij niet, en nooit zullen zij vergeten worden.’ Tegelijkertijd bespeur ik bij mijzelf een omgekeerde reactie: de neiging om mijn in Auschwitz en Sobibor omgebrachte familieleden juist wat meer vergetelheid te gunnen.

Sinds ik ze in Ons kamp liet figureren om te vertellen over de emancipatie van het joodse proletariaat, hun gruwelijke dood, en de impact van de shoah op hun naoorlogse verwanten en de rest van de wereld is bij mij sprake van groeiende terughoudendheid om hen voor het voetlicht te halen. Gêne over mijn poging een begrijpelijk mensenverhaal te maken van wat gedoemd is onbegrijpelijk te blijven ligt voortdurend op de loer. Het hele idee dat het mogelijk is om aan de hand van historische feiten, documenten en levensverhalen iets te produceren dat een proces van vernederen, uitsluiten, ontmenselijken, aftuigen, nog meer vernederen en uitmoorden voelbaar maakt voor wie louter vredestijd heeft gekend komt mij inmiddels vreemd voor.

In Zie: liefde, zijn grote roman over de jodenvervolging, voert de Israëlische schrijver David Grossman een vrouw op die begint te zuchten en haar ogen ten hemel heft als het gaat over al diegenen die woorden willen geven aan het heel erg erge. Volgens haar zijn ze vrijwel allemaal gedoemd te falen: ‘Terwijl elke andere verwonding of ramp te vertalen was in de taal van de bekende werkelijkheid, gold dat voor de holocaust niet, maar toch zou altijd die dwingende noodzaak blijven bestaan om het nog eens en nog eens te proberen, om de beproeving te doorstaan, de scherpe stekels ervan in het levende vlees van de schrijver te stampen.’

Deze door Grossman geventileerde onmacht zie ik terug in het ontwerp van Libeskind, een al te letterlijke manier om de omvang van de holocaust in Nederland tastbaar te maken. Het heeft iets wrangs dat ruim 102.000 omgebrachte mensen worden teruggebracht tot een bouwsteentje in een megalomaan project, en ondanks de grootte van het bouwwerk is het hopeloos ontoereikend.

Nu onze buurt vrij is van horden toeristen die behalve het Rembrandthuis en een paar coffeeshops ook het Joods Cultureel Kwartier aandoen, ligt mijn woonomgeving erbij als een verlaten openluchtmuseum vol herinneringen aan het verdwenen joodse leven van Amsterdam. Als ik vanaf mijn behuizing vlak bij het Waterlooplein een ommetje maak via de Weesperstraat en de Plantage Middenlaan kom ik onder meer langs het monument ter herinnering aan het joodse verzet ’40-’45, het standbeeld van De Dokwerker, het monument voor Joodse Dove Oorlogsslachtoffers, het Auschwitz-monument van Jan Wolkers, het Nationaal Holocaust Museum in oprichting, de voormalige Hollandsche Schouwburg met in de hal een wand met alle achternamen van joden die werden weggevoerd, en een heleboel struikelsteentjes.

Oog in oog met de zandvlakte waar aan de verrijzenis van het namenmonument wordt gewerkt, realiseer ik me dat ik er lang over heb gedaan om in te zien dat het leven van mijn vermoorde grootouders en hun vermoorde kinderen en kleinkinderen niet van meet af aan in het teken heeft gestaan van hun huiveringwekkende einde. Van de weinige informatie die ik als naoorlogs kind over hen kreeg bleven bij mij voornamelijk nachtmerrieachtige beelden hangen van de gaskamers waarin ze stierven.

Het was moeilijk voorstelbaar dat ze ooit lol trapten, ruzie maakten, thee dronken, aardappels schilden, of toekomstplannen smeedden zonder de dreiging van de vernietigingskampen. Naar de foto van mijn opa en oma op het dressoir in onze woonkamer durfde ik nauwelijks te kijken. Alsof alle verdrongen verdriet en onderdrukte woede die hen omgaven mij zouden vermorzelen als ik een meer dan oppervlakkige blik op hun portret zou werpen. Het heeft lang geduurd voordat ik mezelf toestond hun gezichten te bestuderen, en nog langer voordat het mij niet meer verbaasde dat ze allebei vriendelijk lachten.

De foto werd gemaakt toen ze in 1931 hun 25-jarig huwelijksfeest vierden, zo’n vijf jaar voordat ze met her en der geleend geld hun eigen bakkerij in de Weesperstraat begonnen. Mijn opa zit erbij met de houterigheid van een arbeider die zich bij hoge uitzondering in een net pak heeft gehesen, mijn oma met de alerte mildheid van een huisvrouw die er met moeite mee heeft ingestemd voor één dag de boel de boel te laten. Heel gewone mensen eigenlijk. Als ze niet waren vermoord omdat ze joods waren, hadden ze al lang kunnen rusten in vrede. Omdat ze wel bij die zes miljoen horen, wordt er over hun ontbrekende graf en dat van hun lotgenoten heen van verschillende kanten aan ze gesjord.

Misschien nog het navrantst is de manier waarop ze worden ingezet dan wel afgeserveerd in het ideologische wapengekletter rond Israël. Zowel in het Midden-Oosten als daarbuiten tref je verwarde geesten met de overtuiging dat de holocaust geheel of gedeeltelijk is bedacht door ‘de zionistische entiteit’, een morbide verzinsel van de joodse staat dat dient ter rechtvaardiging van het bezet houden van Palestijns gebied. Vaker leidt wat Abram de Swaan zo mooi ‘anti-Israëlisch enthousiasme’ noemde tot de gretig verkondigde opvatting dat de Israëlische joden de nieuwe nazi’s zijn en dat ze doelbewust bezig zijn met genocide op de Palestijnen.

Omgekeerd is Benjamin Netanyahu niet de eerste premier van Israël die elke holocaust-herdenking aangrijpt om de tussen 1940 en 1945 omgebrachte joden collectief te afficheren als martelaren voor het zionisme. Deze omarming van de slachtoffers was in de beginjaren van de staat Israël verre van vanzelfsprekend. Tot ver in de jaren zeventig spraken trotse Israëliërs met minachting over de joodse Europeanen die het leven in de diaspora hadden verkozen boven het opbouwen van een joods land. ‘Als makke schapen zijn ze de gaskamers in gegaan’, was een ook in Israël veelgebruikt cliché.

Het is een houding die anno 2020 onvoorstelbaar is geworden. Zo is het al weer lang de gewoonte om Israëlische jongeren voordat ze het leger in gaan deel te laten nemen aan een zogenaamde ‘March of the Living’, een demonstratieve tocht vanaf de poort van Auschwitz naar het voormalige perron van het vernietigingskamp Birkenau. Daar wordt de menigte toegesproken door officials die zeggen dat ‘dit’ nooit gebeurd zou zijn als Israël ‘toen’ al had bestaan, en dat het maar goed is dat er nu een Israëlisch leger is om ervoor te zorgen dat ‘Nooit meer Auschwitz’ geen loze kreet blijft. Volgens veel Israëliërs wordt hun land omringd door nieuwe nazi’s die het genocidale werk van Hitler willen afmaken.

Om mijn eerder geciteerde dierbare te parafraseren: ook in Israël zijn ze tegenwoordig dol op de vermoorde joden.

Dat laatste drong nog eens tot me door toen een van mijn achterneven mij eind vorig jaar een bericht uit Het Parool mailde. Een Israëlische bouwondernemer met kantoren in Amsterdam en Israël had alle 178 namen geadopteerd van de joden die tot in de oorlog op de plek woonden waar het Namenmonument komt te staan, onder wie mijn grootouders en een van mijn ooms. Mijn achterneef was juist aan het overwegen hun namen te adopteren en dacht dat dit niet meer mogelijk was omdat ze al waren vergeven aan een grote bieder.

Even had ik het gevoel dat we in een roman van Philip Roth waren beland. In gedachten zag ik een delegatie van onze niet erg hechte – en ook wat het Libeskind-monument betreft verdeelde – familie met de filantroop in kwestie onderhandelen over wat het zou kosten om ‘onze namen’ terug te krijgen. Achteraf bleek dat meerdere mensen dezelfde namen konden claimen, maar dat deed niets af aan mijn opgestoken afkeer van het monument waarover ik nog steeds niet goed en helder kan nadenken.

Het bericht in Het Parool meldde dat de bouwondernemer een certificaat met zijn 178 namen had opgehangen in al zijn kantoren. ‘Je moet het loslaten’, zei een van mijn verstandige neven toen ik vertelde hoe pijnlijk ik dat vond. Hij had gelijk. En ergens heeft het iets tragikomisch dat mijn sappelende grootouders en hun in socialistische kring tot wasdom gekomen zoon onderdeel zijn geworden van een holocaust-relikwie van een Israëlische zakenman.

Bovendien: van wie zijn ze eigenlijk, die namen? Bij mij overheerst terughoudendheid om eigendomsrecht te claimen van verwanten die ik niet heb gekend en van wie ik niet weet hoe ze praatten, rookten, kusjes gaven of hun koffie dronken. Herdenkings-technisch bezien zijn ze van iedereen. In welke vorm en met welke intentie ze herdacht worden is afhankelijk van de tijdgeest, net als de monumenten die ter hunner nagedachtenis worden opgericht dan wel worden afgebroken omdat ze niet meer voldoen aan de mentale mode.

Eén ding is zeker: het zal niet lang meer duren voordat er niemand meer is met speciale gevoelens voor de individuele mannen, vrouwen en kinderen achter de namen op die verschrikkelijke namenwand.