Als ik in Vught ben, probeer dan eens te schrijven…

Als ik in Vught ben, probeer dan eens te schrijven…

Posted by Redactie | 13 november 2017 | Geen categorie

Uit het Brabants Dagblad 11-11-17, door Annemiek Steenbekkers
Kilte verdrijven met soms heel korte levensverhalen

Een gedenksteentje op de plek waar ze woonden ligt er al, maar met de beschrijving van hun levensverhalen – hoe kort soms ook – geeft historicus Aart Vos de omgekomen joden uit Zaltbommel, Rossum en Herwijnen ook een gezicht. Ze woonden in onder meer de Bommelse Boschstraat, de Gamerschestraat en Korte Steigerstraat, maar ook aan de Maasdijk in Rossum en de Molenstraat in Herwijnen. Greetje van vier uit Rossum, het Herwijnense gezin Van Straten en de 86-jarige Frederika van Blijdenstein uit Zaltbommel.
Slechts een handjevol van de 61 Bommelerwaardse joden die veelal via Vught en Westerbork in Sobibor of Auschwitz de dood vonden. En zij die na de Tweede Wereldoorlog wél terugkeerden, konden allerminst op een hartelijke ontvangst rekenen, zo beschrijft de Zaltbommelse historicus en bestuurslid van de Stichting Mikwe Aart Vos in het boek Als ik in Vught ben, probeer dan eens te schrijven… dat donderdag [13 november 2017] wordt gepresenteerd. ‘De enkele overlever zette zijn bedrijf voort en merkte dat de Bommelse middenstanders niet zaten te wachten op concurrentie van teruggekeerde joden.’ Winkelpanden en huizen bleken ingepikt en spullen geroofd. De vermoorde joden wer1en verzwegen in notulen en onderwijsannalen. In de eerste openbare raadsvergadering van de Bommelse gemeenteraad op 14 december 1945 geen woord over de joodse slachtoffers. In Rossum maakte de raad zich in 1953 vooral druk over ‘de oninbare huur van de leegstaande ‘jodenwoning’ van Mozes aan de Maasdijk’.

Desinteresse
‘Ik wist wel van die kille houding, dat speelde niet alleen hier’, vertelt Aart Vos (1949). ‘Zo bezien heeft het verzamelen van de verhalen voor dit boek meer tot bevestiging geleid dan tot nieuwe inzichten. Ik ben er niet vrolijker van geworden.’ Hij bespeurt nog altijd een zekere mate van desinteresse. ‘De aandacht is te weinig en te laat. We hebben in Zaltbommel een joods monument uit 1967. Dat is particulier initiatief geweest, waarom is dat niet van de gemeente? De omgekomen joodse kinderen hebben hier op school gezeten, is vanuit het onderwijs nooit aandacht voor geweest, waarom niet? Juist door hun verhalen te vertellen, komt de oorlog dichtbij.’ Klinkt verwijtend, beseft Vos, zonder zelf een klip en klaar antwoord paraat te hebben. ‘Het is makkelijk oordelen vanuit de leunstoel. Er is zo veel aanbod, het kan best zijn dat zo’n school veel met de oorlog bezig is.’ Voor een deel is de heersende houding misschien gemakzucht, vermoedt hij. ‘En vluchtigheid: het is toch al lang geleden? Maar de oorlog is nooit afgelopen. Als Louis Stranders wordt herinnerd aan zijn overleden zusje Greetje schiet hij nog altijd vol. Ik hoop dat dit boek helpt om de herinnering aan deze mensen levend te houden en zorgt voor wat meer mededogen.’
Als voorbeeld noemt hij de brieven van Josine (Josée) van Gelder aan haar Rotterdamse vriendinnetje Sjaan. ‘Donderdag 8 april 1943. Lieve Puntemuts. (…) Het is hier net een gekkenhuis. En in de kamer is het net een jamboel. Zeg Puntemuts, als ik in Vught ben, probeer dan eens te schrijven. (…) Hieronder staat het adres van Vught. Josina Elize van Gelder, Geb. 20 april 1930 te Leerdam. Aujfanglager KL, sBosch. Dat moet je precies eender op de envolloppes zetten die je me schrijft.’ En vanuit barak 33A aan haar Rossumse vriendin Corry van Os. ‘Hoe gaat het op school Corry? (…) We hebben een cabaretavond. Zo leuk’. Op 7 juni 1943 gaat Van Gelder naar Westerbork en een dag later wordt ze vergast in Sobibor. Dertien jaar oud.

Afbeeldingen Drie kinderen Van Gelder bij konijnenhok en Broer en zus Max en Betty Joosten (Joods Historisch Museum).